Hersteltalent

Dialoog 2 – Ervaringsdeskundigen Stichting HerstelTalent (8 april 2016)

Dialoog 2

Dag/datum Vrijdag 8 april, middag
Locatie Dishoek, Walcheren
Aantal deelnemers 5
Doelgroep Ervaringsdeskundigen Stichting HerstelTalent
Gespreksleider KK
Notulisten Irene, Tessa, Klazine
Onderzoeksvraag Op welke wijze kan het oordeel van iemand anders de waarde die je zelf hecht aan je identiteit beïnvloeden?
Gedicht

Verslag:

Verkennen thema Identiteit, Zelfregie, Zelfstigma

M – Ja, die begrippen komen me heel bekend voor. In mijn eigen ervaring is dat heel belangrijk. Na lange tijd ben ik ook weer in eigen regie. Ben lang op zoek geweest naar mijn eigen identiteit en hoe ik weer de regie kon nemen. Dat is wel heel belangrijk als je het psychisch zwaar hebt. Voor mij ook…

P1 – Het is een groot thema in mijn leven. Heel lang heb ik met mijn identiteit geworsteld, geen moeder, geen carrière, geen gezondheid, ziek, geen idee over wie ik ben. Wie ben ik dan heb ik me lang afgevraagd? Ik heb me ook lang verloren gevoeld in allerlei werelden, de medische wereld, de hulpverleningswereld, de spirituele wereld…

K – Het klinkt ook alsof je geworsteld hebt met normen van goed of fout, is dat zo? Wat betreft je identiteit…

P1 – Ja dat klopt

P2 – Jazeker wel, sowieso heel interessant onderwerp. Mijn eigen identiteit houdt me voortdurende bezig. Ik ben mezelf pas de laatste 2,3 jaar bewust van mijn eigen ik…

K – Is ik hetzelfde als identiteit?

P2 – Ja, ik denk het wel ja…

S – “Wie ben ik?”, dat is wat me bezighoudt. Altijd al…

K – Dat is wel heel algemeen voor een onderzoeksvraag die we straks formuleren. Kun je deze vraag wat toespitsen op een concrete ervaring?

S – Nee, niet echt het gaat echt om: “Wie ben ik zelf?”

A – Ik ken mezelf wel goed, ik heb niet zulke problemen als de anderen. Ik doe wat ik wil en zeg wat ik wil.

K – Dus zelfregie is geen probleem?

A – Nee, dat is geen probleem.

15.16 – 15.21

Het thema is bekend. We gaan op zoek naar een onderzoeksvraag. Het is de bedoeling om je ervaring te pitchen. Schrijf het even voor jezelf op. (uitleg over ervaring enz…)

15.21 – 15.26

Eigen ervaring + titel + onderzoeksvraag

15.26 – 15.40

P – Heb je een identiteit als je brein uitvalt?

M – Mijn situatie is dat ik thuiskom van 8 weken opname. Ik ging in die tijd altijd uit van anderen in die tijd, wat ze van me vonden en hoe zij de wereld zagen. Ik voer op hun gedachten. Ik was mezelf compleet kwijt, had niet het gevoel daar iets aan te kunnen veranderen. Toen ik dus thuiskwam stond daar de buurman, zoals altijd overigens want hij heeft niets anders te doen en hij zei dat ik beter niets kon vertellen over dat ik in Kloetinge was geweest omdat de mensen in het dorp er al over spraken. Ik snapte het niet en ben vervolgens naar binnen gegaan. Samen met mijn vriend heb ik het er toen over gehad en ben pas later boos geworden. Het heeft ook een knop bij me omgezet, altijd dacht ik namelijk begrijp me nou en help me nou, liet ik het aan anderen over, maar toen ben ik de regie gaan nemen. Ik wilde de grip weer terug.

K – Ik denk dat dit wat goeds zou kunnen zijn, maar het is denk ik goed om een goede onderzoekvraag te formuleren. We zoeken naar een onderzoeksvraag (herhaalt daarna de regels)

M – Ik denk dat het meer is: “Heb je een buurman nodig om tot je identiteit te komen, te behouden bedoel ik.” Of… Hoe bepaal ik mijn identiteit t.o.v. anderen, zoiets…

K – Zijn identiteiten altijd gelijkwaardig?

S – Het sterven van mijn vader was zo’n moment. Of eigenlijk niet het sterven zelf, maar de donderdag ervoor. Ik duwde mijn gevoel aan de kant en ging handelen. Ik vraag me nog steeds af hoe dat kan. Dat je gaat handelen?

K – Ja, ik zit me even af te vragen wat is de link naar het thema?

S – Ik vraag me af hoe het zo om kan slaan? Hoe je van je gevoel naar handelen gaat. Alsof je twee personen bent.

K – Is het dat je je afvraagt of er verschillende compartimenten in je identiteit zijn?

A – Was het niet die Zondag, Sil?

S – Nee hoor het was de donderdag, toen ben ik gaan schrijven, het ging automatisch.

K – Is het dan; “Zit er in je identiteit een automatische piloot?”

15.40 – 15.48

K – Ik denk dat het verhaal van Marion de meeste mogelijkheden heeft om tot een goede onderzoeksvraag te komen, zijn jullie het daarmee eens? Zullen we het nader onderzoeken?

M – Ik dacht wie zijn hun om te bepalen en te weten wie ik ben?

P2 – Bepalen anderen je identiteit?

M – Nee, misschien meer de vraag of ik minder ben.

A – Nee, joh je bent gewoon anders!

P1 – Die buurman koppelt een andere identiteit aan jou, je wordt gestigmatiseerd. De vraag is wie bepaalt wie je bent?

K – Kan een identiteit ook een stigma zijn?

S – Ja natuurlijk, ook zelfstigma.

P2 – De ervaring met de buurman, daar zit de onderzoeksvraag.

K – Ik voel dat er een soort waarde aan identiteit zit.

M – Wat voor waarde heeft een identiteit?

K / M / P – Hangt de waarde af van je identiteit? Hecht je waarde aan hoe andere mensen naar je identiteit kijken? Wat voor waarde hecht je aan hoe anderen naar je identiteit kijken?

15.48 – (inclusief pauze van ongeveer 10 – 15 minuten) 16.16

K – we gaan nu Marion bevragen op het hittepunt.

S – Gevoel?

M – Alsof de wereld instortte.

S – Je was je er niet van bewust dat mensen zo konden praten of doen over anderen?

M – Nee, ik hield me er niet mee bezig.

S – Met wat voor gevoel kwam je aanrijden?

M – Eindelijk thuis denk ik…

P1 – Was je blij?

M – Nee…

P2 – Had je steun?

M – Ja, ik was met mijn vriend.

S – Wat zei hij?

M – Dat het niet gekker moest worden. Dat zeiden we tegen elkaar.

K – Was je boos op hem?

M – Ik was teleurgesteld, ik dacht ik wil hier weg, kan ik niet verdwijnen, dat dacht ik. Hij zei: “Kom eens je moet het weten”. Hij staat er altijd, het heeft maar heel kort geduurd. Ik had niet gedacht dat het dat zou zijn wat hij wilde zeggen.

S – Je kwam dus aan met je koffertje en je vriend?

M – Ja na 8 weken was dat een hele omslag.

S – Heb je er nooit bij nagedacht of het wel waar was?

S – Of stond het op je auto? Going to Emergis?

K – Wat voor weer was het?

M – Het was najaar.

P1 – Je zegt dat hij er altijd staat?

M – Ja, hij staat er altijd.

K – Wat dacht je toen hij je wenkte? Wat gebeurde er?

M – Boosheid, verdriet dat ik er blijkbaar niet mag zijn. Wie is hij? Dat dacht ik.

K – Dacht je niet: “Wat vraagt hij eigenlijk aan mij?”

M – Mmmm, ik weet niet… misschien wel.

S – Dacht je niet: “Neem mij maar weer op?”

K – Hebben we genoeg film gemaakt? Zien jullie jezelf in deze situatie?

K – Wat deed je echt?

M – Ik reageerde echt met ongeloof, ik reageerde HE???? En veel meer heb ik volgens mij niet gezegd. Ik reageerde met ongeloof, nieuwsgierigheid, toen ik bijna binnen was en me omdraaide stond hij er nog. Ik vraag me af hoe hij erin stond. Alsof het heel normaal was. Wie ben jij dacht ik. Wie ben jij?

K – De onderzoeksvraag: “Wat voor waarde hecht je aan hoe anderen naar je identiteit kijken?” Klopt dit nog?

P2 – misschien niet.

A – Kan het oordeel van een ander je identiteit beschadigen?

S / M – Ja

Op welke wijze kan het oordeel van iemand anders de waarde die je zelf hecht aan je identiteit beïnvloeden?

PAUZE

16.16 – tot einde

K – Iedereen verplaatst zich nu in de situatie van M.

P2 – gemist

A –

Zeggen: Ik zou helemaal overdonderd zijn. Pas als je binnen bent ga je volgens mij nadenken. Ik weet niet of ik veel zou zeggen.

Voelen: Wat gaat er nu gebeuren? Ik bedoel ik kom net na 8 weken thuis.

Doen: Niks (omdraaien en naar binnen lopen)

Binnen gaat het denk ik pas werken.

Onderzoeksvraag: Dat kan heel veel met je doen. Ik denk dan pruim je me niet dan…. Ik zou er wel mee om kunnen gaan en zou er veel over praten. Ik zou mijn identiteit niet relateren aan die anderen, maar ja… Nu niet meer, misschien wel toen ik jonger was.

P1 –

Zeggen: “Hallo buurman, ik ga nu theedrinken met mijn vriend.”

Doen: Theedrinken met mijn vriend.

Voelen: Nou ja zeg, leuke thuiskomst zeg. Ik zou denken ga wat doen je leven. En ook dat hij niet beter weet.

Onderzoeksvraag: Ik kan het nu beter, het heeft wel lang geduurd. Het had zoveel ellende bespaart als ik dat eerder had gekund.

S –

Voelen: WTF, wat weet hij van me? Ik voel me slecht, bang een klein mensje.

Zeggen: Ik verontschuldig me voor wie ik ben

Doen: Ik ga mijn bed in.

Onderzoeksvraag: Ik laat me wel beïnvloeden als ik daar gevoelig voor ben.

K – Hoe gebeurt dat?

S – Je denkt dat iemand wat van je denkt.

K – Een uitgesproken oordeel of een oordeel van jezelf naar aanleiding van wat iemand anders zegt?

M – Gedachten of wat een ander zegt beïnvloeden wat je zelf denkt. Dat ik niet wil zijn zoals anderen willen zijn of willen dat ik ben…..

…..Anderen kunnen door hun mening mijn gedachten beïnvloeden in wie ik ben. Nou ja, daardoor kwam de omslag dus ook. Ik realiseerde me dat ik dat niet meer wilde.

K – Je bent het meer aan het onderzoeken?

M – Nu denk ik eerst na voor ik reageer. Klopt het wat de ander zegt en met mijn eigen beeld van mijn identiteit?

K – Je schat je eigen identiteit echt op waarde he?

M – Ja, door hun oordeel te wegen ten opzichte van het mijne….

….Ik kom erop uit dat mijn mening er juist toe doet. Door het oordeel van een ander heeft het ook invloed op hoe ik oordeel over een ander (dit heeft het veroorzaakt)

Feitelijke exercitie is ten einde. Er wordt nog een beetje nagepraat over wat er nog meer had moeten gebeuren in de tijd die we hadden, maar waar we te weinig tijd voor hadden.

Woordelijk verslag notulist 2:

M: ‘Identiteit en regie zijn gekoppeld aan elkaar’

PJ: ‘Geen moeder, geen carrière heb ik dan wel een identiteit?’ ‘Identiteit hebben is fout, geen ego’

PH: ‘Mijn eigen identiteit, pfft, ik ben mijzelf sinds 3 jaar bewust van mijn identiteit’

S: ‘Wie ben ik?’

A: ‘Ik ken mijzelf wel redelijk goed. Ik trek me niet veel van een ander aan.’

K: ‘Dus je hebt een sterke identiteit en zelfregie?

A: ‘Misschien’

PJ: ‘Identiteit is verbonden aan wat je deed en wat je had’ ‘Heb je nog een identiteit als je brein uitvalt?’

M: ‘Ik was mijzelf daarin kwijt’ ‘Op dat moment heb ik een knop omgezet en ben ik voor mijzelf gaan kiezen.’

M: ‘Alsof er iets heel ernstigs gebeurde.’ ‘Ik vind dat iedereen zijn eigen weg moet gaan.’ ‘Verdriet dat ik er niet mag zijn’ ‘Boosheid om wie is hij om dat van anderen te vertellen’ ‘Ik ging naar binnen en dacht: oké, is dit het leven?’

PH: ‘Het oordeel van een ander, hoe was dat voor jou?’

M: ‘Ik wil niet zijn zoals anderen willen dat ik ben’ ‘Anderen kunnen door hun gedachten beïnvloeden wie ik ben’ ‘Wat heeft me geholpen om terug bij mijn identiteit te komen? Wie ben ik, wat voel ik?’ ‘Mijn mening doet er toe want een ander kan niet bij mijn gevoel voelen.’

‘Het leven is veel waardevoller geworden’

 

  • Stichting Hersteltalent
  • Privacy