Maar ik doe toch mijn best?

“Maar ik doe toch mijn best?”

Over viervoudig leren

Ik zit tegenover een medewerker en ik hoor mezelf zeggen dat iets niet goed is gegaan. Niet groots. Niet dramatisch en zeker geen calamiteit. Het gaat over iets ogenschijnlijk eenvoudigs: het ontbreken van de dagreflecties.

In onze centra schrijven we kort op hoe een dag is verlopen. Wie er waren (voornaam). Wat opviel. Wat werkte, wat niet. Niet om te controleren, maar om zicht te houden in een omgeving waar veel gebeurt en weinig voorspelbaar is. Over de tijd helpt dat zicht ons om te begrijpen wanneer mensen aanhaken, wanneer ze afhaken, en wat daarin mogelijk helpend of belemmerend is. Als dat structureel niet gebeurt, verliezen we dat zicht. En ja, we moeten ook verantwoording afleggen aan subsidieverstrekkers. Dat is misschien symbolisch en oppervlakkig, maar het ontbreken ervan kan grote consequenties hebben – juist voor de ruimte die we proberen open te houden.

Dus ik zeg het en niet voor de eerste keer. Dat dit zo niet oké is en dat het echt anders moet. En dan komt die zin: “Ja… maar ik doe toch mijn best.” Ik twijfel daar niet aan. Ik zie hoeveel deze medewerker draagt. Hoeveel contacten ze heeft. Hoeveel onverwachte situaties er voorkomen. Hoeveel nabijheid er gevraagd wordt op een plek waar mensen binnenlopen met alles wat ze bij zich dragen. Voor de meesten van ons is administratie niet het meest geliefde onderdeel van het werk.

En toch gebeurt er iets bij mij. Die zin opent iets ouds. Ik hoor mezelf weer zeggen, jaren geleden: “Maar ik doe toch mijn best?” En ik hoor mijn pleegvader antwoorden: “Ja. En soms is je best doen niet genoeg.” Dat zinnetje raakte me niet omdat het onrechtvaardig was, maar omdat het waar was. En omdat waarheid soms harder binnenkomt dan onrecht.

Mijn “best doen” ging toen minder over inzet dan over overleven. Altijd alert. Altijd verantwoordelijk. Altijd bang om iets te verliezen. Aangesproken worden voelde niet als bijsturen, maar als instorten. Alsof mijn bestaansrecht ter discussie stond. Ik verwarde het feit dat ik alles gaf met het idee dat dingen daardoor ook beter zouden worden. Dat het één niet logisch voortvloeit uit het ander kon ik lange tijd niet op een rijtje krijgen in mijn hoofd.

En nu zit ik hier. Aan de andere kant van het gesprek. Ik zie wat deze medewerker doormaakt. Ik herken de spanning, het schrikken, het verdedigen. Ik voel mijn eigen neiging om te verzachten, om te sparen, om te denken: ik snap het wel, laat maar. Maar ik weet ook: als ik dat doe, blokkeer ik het leren. Niet alleen voor deze medewerker, maar ook voor het geheel waar we samen verantwoordelijk voor zijn.

En hier, op dit punt, wordt iets voor mij opnieuw helder. Dit is geen enkelvoudig leren. Geen dubbel of drievoudig leren. Dit is viervoudig leren.

Ik leer tegelijk:

  1. van wat ik zelf heb meegemaakt – het overleven, het mijn-best-doen, het nauwelijks kunnen verdragen van correctie
  2. van wat ik later als ervaringsdeskundige ben gaan doen – herkennen, begeleiden, betekenis geven
  3. van wat de ander nu meemaakt – het aangesproken worden, de spanning, het risico op terugvallen
  4. en van wat mensen om mij heen destijds hebben doorgemaakt – degenen die mij moesten begrenzen, dragen en toch blijven staan

Dat vierde perspectief is misschien wel het meest confronterend. Het besef dat ook zij iets moesten uithouden. Dat ook zij laveerden tussen nabijheid en begrenzing. Dat zij soms wisten dat sparen geen liefde was – maar dat aanspreken risico’s had.

Voor mensen die zijn opgegroeid in onveilige omstandigheden is feedback zelden een neutraal leermoment. Het raakt aan veiligheid, aan erbij horen, aan bestaansrecht. Hard werken wordt dan een overlevingsstrategie. Vaak een succesvolle. Tot het niet meer werkt. Want sommige dingen vragen niet om méér inzet, maar om een andere beweging. Structuur, afbakening, verantwoordelijkheid en soms simpelweg: doen wat is afgesproken.

Liefdevol omgaan met dit spanningsveld betekent voor mij niet dat ik alles begrijp en laat passeren. Het betekent ook niet dat ik hard word of afstand neem. Het betekent: blijven staan. Het gesprek niet uit de weg gaan. Iemands geschiedenis zien, zonder haar leidend te laten zijn voor alles wat volgt. Durven zeggen: “Ik zie hoe hard je werkt. En dit moet alsnog anders.”

Misschien leer je sommige lessen pas echt wanneer je degene bent geworden die je vroeger zo moeilijk kon verdragen. En misschien is leren soms pas voltooid wanneer je ook mild kunt terugkijken — niet alleen op jezelf, maar ook op degenen die jou ooit begrensden. Dat is geen afronding. Dat is verdieping.