Waar een samenleving naar kijkt

“Vertel mij waar een samenleving haar aandacht op richt, en ik vertel je hoe zij naar mensen kijkt.”

Die gedachte laat mij de laatste tijd niet meer los. De afgelopen jaren is er veel gesproken over mensen met verward gedrag. Er zijn meerdere rapporten geschreven en nieuwe wetten voorbereid. Er werden regionale interventieteams (RIT) opgericht en de samenwerking tussen politie, gemeenten en crisisdiensten is versterkt. Er wordt nagedacht over bevoegdheden, veiligheid en het voorkomen van escalaties. En dat is begrijpelijk.

Wanneer iemand ernstig psychisch ontregeld raakt, moet een samenleving kunnen handelen. Dan zijn crisisdiensten, politie en interventieteams onmisbaar. Ik heb daar veel respect voor. Zij doen werk dat niemand graag doet, maar dat soms van levensbelang is. Toch bekruipt mij steeds dezelfde vraag. Niet over de mensen om wie het gaat. Maar over onszelf.

Waarom begint onze maatschappelijke aandacht eigenlijk pas wanneer iemand al volledig is vastgelopen?

Vrijwel het hele debat over verward gedrag speelt zich af aan het einde van een proces. Op het moment dat iemand zichtbaar wordt, wanneer er overlast ontstaat, de politie wordt gebeld, wanneer een crisisdienst moet komen of wanneer verplichte zorg wordt overwogen. Dat zijn belangrijke momenten. Maar het zijn zelden de eerste.

Aan een crisis gaat meestal een lange geschiedenis vooraf. Niet één grote gebeurtenis. Maar tientallen kleine. Een verlies, een jeugd waarin veiligheid ontbrak. Een verslaving. Schulden. Een baan die verdwijnt. Een netwerk dat kleiner wordt. Steeds een beetje minder verbinding. Tot iemand uiteindelijk zichtbaar wordt. Niet omdat hij op dat moment zijn problemen krijgt. Maar omdat wij hem op dat moment pas beginnen te zien. Misschien zegt dat iets over de manier waarop wij als samenleving kijken. We richten onze aandacht vooral op wat zichtbaar wordt wanneer het misgaat. Veel minder op de langzame processen die eraan voorafgaan. Dat is geen verwijt. Het is een observatie.

En misschien geldt die veel breder dan de psychiatrie. In het onderwijs spreken we vooral over kinderen die uitvallen. In de jeugdzorg over gezinnen die vastlopen. In de ouderenzorg over overbelaste mantelzorg. Steeds opnieuw ontstaat onze maatschappelijke aandacht op het moment waarop een probleem zich openbaart. Misschien zijn we daardoor buitengewoon goed geworden in reageren. Maar reageren is iets anders dan begrijpen. En begrijpen is weer iets anders dan voorkomen.

Ik vraag me af wat er gebeurt wanneer een samenleving haar aandacht steeds verder naar achteren verplaatst. Wat raakt daardoor buiten beeld? Misschien zijn dat juist de dingen die zich niet gemakkelijk laten organiseren. Een buur die aanbelt. Een vrijwilliger die iemand kent. Een plek waar je welkom bent zonder afspraak. Een gesprek dat nergens toe hoeft te leiden. Het zijn geen spectaculaire dingen. Je schrijft er geen wet over. Je richt er geen interventieteam voor op. Toch vraag ik me af of juist daar iets gebeurt wat we moeilijk kunnen missen.

Niet omdat een buur een crisisdienst kan vervangen. Dat kan hij niet. Niet omdat een interventieteam een gemeenschap kan vervangen. Dat kan het ook niet. Misschien maken we soms de fout verschillende vragen met dezelfde manier van denken te willen beantwoorden. Een crisis vraagt snelheid, deskundigheid, besluitvorming. Een samenleving vraagt iets anders. Aandacht, relaties, tijd, aanwezigheid.

Die twee moeten we niet tegen elkaar uitspelen. Ze hebben elkaar nodig. Maar ze zijn niet hetzelfde. Misschien is dat de vraag die mij het meest bezighoudt. Niet hoe we de crisiszorg verder kunnen verbeteren. Dat zullen we moeten blijven doen. Maar hoe het komt dat onze maatschappelijke aandacht zo vaak begint op het moment dat iemand al uit beeld is geraakt. Want waar een samenleving haar aandacht op richt, bepaalt uiteindelijk ook wat zij niet meer ziet.

En misschien begint juist daar de belangrijkste vraag voor de komende jaren. Niet hoe we beter omgaan met mensen die uitvallen. Maar hoe we leren zien dat iemand langzaam aan het verdwijnen is, terwijl hij er nog is.