Wat hebben we wél? – Over politie, ondersteuning en de kracht van écht luisteren
In het sociaal domein praten we veel over tekorten. Een tekort aan passende woonplekken, lange wachtlijsten binnen de zorg, een gebrek aan capaciteit en mensen die tussen wal en schip raken. Die problemen zijn reëel. Ook in mijn werk als onafhankelijk cliëntondersteuner en ervaringsdeskundige kom ik ze regelmatig tegen. Maar onlangs werd ik er opnieuw aan herinnerd dat we onszelf óók een andere vraag mogen stellen: Wat is er wél mogelijk wanneer we elkaar weten te vinden? Wanneer werelden tegenover elkaar komen te staan.
Ik begeleid iemand bij wie door de jaren heen veel is gebeurd. Een bewogen levensloop en langdurige instabiliteit hebben ervoor gezorgd dat zijn weg naar een stabiel bestaan allesbehalve vanzelfsprekend is geweest. Toch probeert hij, ondanks alles wat nog niet op orde is, vooruit te komen en iets van zijn leven op te bouwen. Tegelijkertijd waren er vanuit de politie zorgen en was er regelmatig contact. Vanuit zijn perspectief voelde die aandacht steeds meer als wantrouwen en controle. Vanuit de politie waren er redenen om alert te zijn. Langzaam ontstond een situatie waarin beide kanten elkaar steeds minder goed leken te begrijpen. En juist daar kan het misgaan.
Wanneer iemand het gevoel krijgt dat er vooral over hem wordt gesproken, naar hem wordt gekeken of over hem wordt geoordeeld, ontstaat afstand. Andersom geldt hetzelfde: wanneer professionals vooral weerstand ervaren en niet meer begrijpen waar die vandaan komt, kunnen beelden over elkaar verharden. Daarom heb ik contact opgenomen met de wijkagent. Niet om te bepalen wie er gelijk had, maar om te kijken of we elkaar weer konden vinden. Bijna drie uur aan tafel. We besloten met elkaar in gesprek te gaan. Wat volgde was geen vluchtig overleg van een half uur. De wijkagent nam uitgebreid de tijd en uiteindelijk hebben we bijna drie uur met elkaar aan tafel gezeten. Dat maakte indruk op mij. Er werd niet alleen geluisterd om vervolgens antwoord te kunnen geven. Er werd geluisterd om te begrijpen. Er was ruimte voor frustratie, vragen en verschillende perspectieven. De politie legde uit waarom bepaalde keuzes waren gemaakt en waar zorgen vandaan kwamen. Tegelijkertijd was er ruimte om te erkennen dat sommige dingen misschien anders hadden gekund. Dat verdient wat mij betreft erkenning.
We zijn binnen het sociaal domein – terecht – kritisch wanneer systemen tekortschieten. Maar juist daarom moeten we het ook benoemen wanneer professionals bereid zijn om tijd te maken, naar zichzelf te kijken en werkelijk contact aan te gaan. Want begrip betekent niet dat verantwoordelijkheden verdwijnen. De politie heeft haar verantwoordelijkheid voor veiligheid en leefbaarheid. De hulpverlening heeft haar verantwoordelijkheid. En degene om wie het gaat, blijft verantwoordelijk voor zijn eigen gedrag en keuzes. Maar die verantwoordelijkheden hoeven ons er niet van te weerhouden om de mens achter het gedrag te blijven zien. Iemand is meer dan zijn dossier. Meer dan een melding, een voorgeschiedenis of de zorgen die rondom hem bestaan. Van wat ontbreekt naar wat mogelijk is
Gaandeweg gebeurde er tijdens het gesprek iets belangrijks. De aandacht verschoof van alles wat er niet was naar wat er wél mogelijk was. Welke mogelijkheden zijn er al? Welke rol kan ieder van ons daarin pakken? En hoe kunnen we de lijnen kort houden? Niet om alle problemen in één gesprek op te lossen, maar om iemand ondanks alles wat achter hem ligt een eerlijke kans te geven om verder te bouwen. Voor mij raakt dat aan de kern van mijn werk als ervaringsdeskundige.
Ik weet hoe groot het verschil kan zijn tussen het gevoel dat een systeem tegenover je staat en het moment waarop iemand binnen datzelfde systeem daadwerkelijk naar je luistert. Soms is mijn rol daarom niet om het antwoord te hebben. Soms is mijn rol om mensen bij elkaar te brengen die elkaar onderweg zijn kwijtgeraakt. Om ervoor te zorgen dat er niet alleen over iemand wordt gesproken, maar vooral met iemand. Om verschillende werelden dichter bij elkaar te brengen. Een gesprek lost niet alles op. Na bijna drie uur stonden we niet op met een oplossing voor ieder probleem. De woonsituatie was niet veranderd. Het verleden was niet verdwenen. En ook de zorgen die er zijn, waren niet ineens allemaal weg. Maar er was wél iets veranderd. Er was meer wederzijds begrip, er waren kortere lijnen en er was duidelijkheid ontstaan over elkaars beweegredenen. Bovenal was er weer ruimte om vooruit te kijken. En dat is misschien precies waarom ik deze ervaring wil delen.
We moeten kritisch blijven kijken naar wat er binnen zorg, wonen, veiligheid en ondersteuning beter moet. Mensen vallen nog steeds tussen systemen en te vaak komt passende ondersteuning pas op gang wanneer problemen al zijn geëscaleerd. Maar als we alleen blijven kijken naar wat ontbreekt, zien we soms niet meer welke mogelijkheden er al voor ons liggen. Verandering begint namelijk niet altijd met nieuw beleid, extra geld of een nieuw project. Soms begint het met een telefoontje. Met de bereidheid om elkaar te ontmoeten. Met een wijkagent die de tijd neemt. Met een professional die probeert te verbinden. En met iemand die, ondanks alles wat er in zijn leven is gebeurd, nog steeds probeert vooruit te komen. Misschien moeten we daarom naast de vraag wat er allemaal ontbreekt, vaker beginnen met een andere vraag: Wat hebben we wél – en wat kunnen we bereiken als we dat bij elkaar brengen?
David Car